De Havenkerk - Ieplaan 9 in Alblasserdam

Onze fundamenten

 

De Bijbel
De Heilige Schrift, het Oude en Nieuwe Testament, is het geschreven Woord van God, door Goddelijke inspiratie overgeleverd aan ‘heilige mensen Gods’, die in hun spreken en schrijven gedreven werden door de Heilige Geest. In dit Woord heeft God de mens de nodige kennis tot heil aangereikt. De Heilige Schrift is de onfeilbare openbaring van Zijn wil. Deze is de norm voor gedrag en geloofsbeleving, de gezaghebbende openbaringsbron van de geloofsleer en het betrouwbare verslag van Gods daden in de geschiedenis.
(2Tim3:16,17; Joh17:17; Jes8:20; 1Kor10:11; Joh3:39,40; Ps119:81-136; Hebr4:12; 2Petr1:20,21; Luc24:27,44; Hand17:11; Spr30:5,6; Opb22:18,19)

 

JHWH is de énige God; JHWH is ÉÉN
Jahweh is de enige God; Jahweh is één! God de eeuwige Vader is de Schepper, de Bron, de Onderhouder en de Heerser over al het geschapene. Hij is rechtvaardig en heilig, genadig en barmhartig, traag tot toorn en rijk aan niet aflatende liefde en trouw. Wat wij aan hoedanigheden en krachten in de Zoon en in de Heilige Geest ontdekken, zijn eveneens openbaringen van de Vader.

(Deut6:4; Gen1:1; Opb4:11; Hand17:28,29; Ps36:9,10; Ps104:27-30; 1Kor15:28; Deut7:9; Ex34:6,7; 1Joh1:9; Joh3:16; Joh14:9; Hebr1:2,3; Joh16:13-15)

 

De Zoon
Jeshua de Messias is de éniggeboren Zoon van God; Redder, Priester, Koning en het vleesgeworden Woord. Door Hem werd het karakter van God geopenbaard, de redding van de mensheid tot stand gebracht en de wereld geoordeeld. Hij werd ontvangen uit de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Hij leefde als mens en werd verzocht, maar openbaarde op volmaakte wijze de rechtvaardigheid en liefde van God. In zijn wonderen werd Gods macht zichtbaar en zij getuigden van zijn goddelijke roeping als Messias. Hij leed en stierf vrijwillig aan het kruis om onze zonden, smarten en ziekten te dragen, en werd opgewekt uit de doden en voer ten hemel om in het hemelse heiligdom voor ons de dienst te verrichten. Hij zal terugkeren in heerlijkheid voor de uiteindelijke verlossing van zijn volk en het herstel van alle dingen.
(Joh1:1-3,10,14; Kol1:15,16; Joh14:9; Kol1:19; 2:9; Hebr2:14; Luc1:26,27,35; Hebr4:15; 1Joh3:5; Joh6:14, 20:30,31; 1Kor15:3,4; 1Kor15:20-23; Hebr8:1,2; 7:25; 9:24; Hand1:10,11; Joh14:1-3; Opb21:1,5)

 

De Heilige Geest
De Heilige Geest, die van de Vader uitgaat, is werkzaam in de schepping, vleeswording en verlossing. Hij inspireerde de schrijvers van de Bijbel. Hij vulde het leven van Jeshua met macht. Hij nodigt en overtuigt de mens, en hij die gehoor geeft, vernieuwt en verandert Hij naar het beeld Gods. Gezonden door de Vader en de Zoon, om altijd bij zijn kinderen te zijn, deelt Hij geestelijke gaven uit aan de gemeente, geeft hij haar kracht om van Christus te getuigen en leidt haar, in overeenstemming met de Schrift, in alle waarheid.
(Gen1:1,2; Luc1:35; 4:18; 2Petr1:21; Opb22:17; Joh3:3-8; 2Kor3:18; Joh14:26; 15:26,27; Jes8:20; Joh14:16-18; Ef4:11,12; 1Kor12:4-11; Hand1:8; Ef4:30)

 

De Schepping
God is de Schepper van alle dingen en heeft in de Schrift het waarachtige verslag van zijn scheppende werken geopenbaard. In zes dagen heeft Hij de hemel en de aarde en alle levende wezens op aarde gemaakt, en op de zevende dag van die eerste week heeft Hij gerust. Op deze wijze heeft Hij de Sabbat ingesteld als een blijvend gedenkteken van zijn voltooid scheppingswerk. De eerste man en vrouw werden gemaakt naar het beeld Gods, als de bekroning van de schepping. Hij gaf hun heerschappij over de aarde, en de verantwoordelijkheid deze te onderhouden.
(Hebr1:1,2; Ps33:6,9; Hebr11:3; Gen1en2; Gen1:31; Gen2:1-3; Ex20:8-11; Gen1:26,27; Ps8)

 

De Menselijke Natuur
Man en vrouw werden naar het beeld Gods geschapen met persoonlijkheid, macht en vrijheid om te denken en te doen. Elk mens is een ondeelbare eenheid van geest, ziel en lichaam. Ofschoon als vrij wezen geschapen blijft hij van God afhankelijk voor zijn leven en al het overige. Het beeld van God in hen werd vervormd, en zij raakten aan de dood onderworpen. Hun nakomelingen delen in deze gevallen natuur en de gevolgen hiervan. Toen onze stamouders God ongehoorzaam werden, ontkenden zij hun afhankelijkheid van Hem, en verloren hun hoge positie onder God. Hun nakomelingen delen in deze gevallen natuur en de gevolgen hiervan. Zij worden geboren met zwakheden en de neiging tot kwaad. Maar God verzoende in Jeshua de wereld met Zichzelf en herstelt door zijn Geest in berouwvolle mensen het beeld van hun Schepper. Zij zijn geschapen tot eer van God en geroepen om Hem en elkaar lief te hebben en voor hun omgeving te zorgen.
(Gen1:27,27; Gen2:7; 1Kor15:45; Hand17:24-28; Matt22:35-40; Deut6:5; Lev19:18; Ps8:4-8; 1Joh4:7,8,11,20,21; Gen2:15; Gen3; Rom5:12-17; Ps51:5; Ef2:3; Rom5:6-11; 2Kor5:19,20; Ps51:10,11; Gal5:22,23; Kol3:10; Joh3:5)

 

Strijd in de hemel en op aarde
De hele mensheid is betrokken in een grote strijd tussen Jeshua de Messias en satan aangaande het karakter van God, Zijn Thora (onderwijzing) en Zijn heerschappij over het universum. Dit conflict begon in de hemel, toen een geschapen wezen, begiftigd met vrijheid van keuze, in zelfverheffing tot satan, Gods tegenstander werd, en een deel van de engelen tot opstand aanzette. Hij bracht de geest van rebellie deze wereld in toen hij Adam en Eva tot zonde verleidde. Deze zonde van de mens had de vervorming van het beeld Gods in het mensdom tot gevolg. Dit leidde tot wanorde binnen de geschapen wereld, en de uiteindelijke vernietiging daarvan ten tijde van de wereldomvattende zondvloed. Ten aanschouwen van de gehele schepping is deze wereld het strijdperk van een alomvattend conflict. Daarin zal God uiteindelijk als een God van liefde in het gelijk worden gesteld. Om zijn volk in deze strijd bij te staan, zendt Jeshua de Heilige Geest en getrouwe engelen om hen te leiden, te beschermen en te ondersteunen op de weg des heils.
(Opb12:4-9; Ez28:12-18; Jes14:12-14; Gen3; Rom5:12-14; 1:29-32; Gen6-8; 2Petr3:6; Rom8:19-22; Ef3:8-10; 1Kor4:9; Rom5:15-21; 8:26,27; Hebr1:14; Fil2:5-11; Opb5:11-14)

 

Leven, Dood en Opstanding van Jeshua de Messias
In Jeshua’s leven van volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, zijn lijden, dood en opstanding, heeft God voorzien in het enige zoenmiddel voor de zonde van de mens, zodat zij die door het geloof deze verzoening aanvaarden, eeuwig leven mogen ontvangen, en de hele schepping de oneindige en heilige liefde van de Schepper mag verstaan. Deze volmaakte verzoening stelt de rechtvaardigheid van Gods wet en zijn genadevolle karakter op overtuigende wijze vast; want het veroordeelt onze zonden en verschaft ons tegelijkertijd vergeving. De dood van Jeshua is plaatsvervangend en uitdelgend, verzoenend en herscheppend. De opstanding van Jeshua verkondigt Gods overwinning op de krachten van het kwade en verzekert degenen die de verzoening aanvaarden, hun uiteindelijke overwinning op zonde en dood. Deze opstanding geeft aan, dat Jezus de Messias hun Heer is, voor wie alle knie, in hemel en op aarde, zal buigen.
(Hand4:12; Hebr7:26,27; Joh3:16; Rom3:23-26; Jes53; Rom1:4; Hebr2:9; 1Kor15:3,4; 2Kor5:19-21; Rom3:25,26; 4:25; 8:3; 1Joh2:2; Kol2:15; Joh15:10; 1Petr2:21,22; Rom8:3,4; 2Kor5:14,15; 1Kor15:20,22)

 

De Verlossing van de Mens
In oneindige liefde en genade heeft God Messias Jeshua, die geen zonde gekend heeft, voor ons tot zondoffer gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. Door de Geest geleid, beseffen wij onze tekortkomingen, erkennen wij onze zondigheid, hebben wij berouw over onze overtredingen, oefenen wij geloof in Jeshua als Messias en Heer als plaatsvervanger en voorbeeld. Dit geloof, dat de verlossing ontvangt, komt door de goddelijke macht van het Woord en is Gods genadegave. Door Jeshua worden wij gerechtvaardigd, aangenomen als kinderen van God en bevrijd van de heerschappij van de zonde. Door de Geest worden wij wedergeboren en geheiligd; de Geest vernieuwt onze geest, schrijft Gods wetten van liefde in ons hart en geeft ons de kracht een heilig leven te leiden. Wanneer we in Hem blijven, hebben wij deel aan de goddelijke natuur en hebben we de verzekering van het heil, nu en in het oordeel.
(Rom3:23; 8:5-8; Joh16:7,8; 1Joh1:8-10; Hand2:38; Titus3:3-7; Gal3:13; 1Petr2:21,22; Ef2:5-10; Luc17:5; Rom10:17; 3:21-26; Joh1:12; Gal4:4-7; 1:4; 1Joh5:13; Joh3:3-8; 1Petr1:23; Rom12:2; 2Kor5:17-21; 2Petr1:3,4; Ez36:25-27 Rom8:1-4; Hebr8:7-12; 1Joh1:7-9; Marc9:23,24; Kol1:13,14; Rom5:6-10; 8:14-17; Gal3:26)

 

De Gemeente
De Gemeente wordt gevormd door gelovigen die Jeshua de Messias als Heer en Heiland belijden. Samen met het volk van God, het ware Israël, worden we uit de wereld geroepen en komen wij samen om te aanbidden, om in verbondenheid met elkaar te leven, onderricht te worden in het Woord, om de maaltijd des Heren te vieren, de gehele mensheid te dienen en het evangelie aan de hele wereld te verkondigen. De Gemeente ontleent haar gezag aan Jeshua de Messias, het vleesgeworden Woord, en aan de Heilige Schrift, die het geschreven Woord is. De Gemeente is Gods gezin; de leden ervan (die door Hem als zijn kinderen zijn aangenomen), leven onder het vernieuwde verbond. De Gemeente is het lichaam van Jeshua, een geloofsgemeenschap waarvan Jeshua Zelf het hoofd is. De Gemeente is de bruid voor wie Jeshua stierf om haar te heiligen en te reinigen. Bij zijn terugkeer in heerlijkheid zal Hij haar voor Zich plaatsen als een stralende Gemeente, de getrouwen uit alle eeuwen, gekocht door zijn bloed, zonder vlek of rimpel, maar heilig en onbesmet. De Gemeente bestaat uit allen die waarachtig in Jeshua de Messias geloven en zijn ertoe geroepen de geboden Gods en het geloof van Jeshua te houden. Zij predikt het heil in de Messias en verkondigt zijn naderende wederkomst. Iedere gelovige wordt geroepen om persoonlijk deel te nemen aan dit wereldwijde getuigenis. De Gemeente is één lichaam met vele leden, geroepen uit alle natie, geslacht, taal en volk. In Jeshua worden we een nieuwe schepping; onderscheid in ras, cultuur, ontwikkeling en nationaliteit, en verschillen tussen hoog en laag, rijk en arm, mannelijk en vrouwelijk, mogen geen verdeeldheid onder ons teweegbrengen. Wij zijn allen gelijk in Jeshua, die ons door onze gemeenschap met Hem en met elkaar verbonden heeft; wij moeten dienen en ons laten dienen zonder partijdigheid of terughoudendheid. Door de openbaring van Jeshua de Messias in de Schrift delen wij in hetzelfde geloof en dezelfde hoop, en doen al het mogelijke dit in een gemeenschappelijk getuigenis aan iedereen uit te dragen. Deze eenheid heeft haar bron in de eenheid van God de Vader, die ons aangenomen heeft als zijn kinderen.
(1Kor12:12,12; Ef1:22,23; 2Kor11:2; Opb19:7,8; Joh1:12,13; Ef2:19-22; 1Joh2:15; 2Kor6:16-18; Gen12:3; Hand7:38; Hebr10:24,25; 1Kor12;4-11; Ef4:11-15; Ef3:8-11; 5:23-27; Kol1:17,18; Matt16:13-20; 18:18; 28:19,20; Joh17:20-23; Ef4:1-6; 4:14-16; Kol3:10-15; Rom12:4,5; 1Kor12:12-14; 2Kor5:16,17; Hand17:26,27; Gal3:27-29; Joh13:34,35; 1Joh3:14; Matt28:19,20; Ps133:1)

 

De Doop
In de doop belijden wij ons geloof in de dood en opstanding van Jeshua de Messias en betuigen ons dood voor de zonde en ons voornemen in nieuwheid des levens te wandelen. Zo erkennen wij de Messias als Heer en Heiland, worden zijn volk en worden wij door zijn Gemeente als leden aanvaard. De doop is een zinnebeeld van onze verbondenheid met Jeshua, de vergeving van onze zonden en ons ontvangen van de Heilige Geest. De doop vindt plaats door onderdompeling in water en op de belijdenis van het geloof in Jeshua en blijk van berouw.
(Hand2:38; Hand8:12; 10:47-48; 16:30-33; 22:16; Rom6:1-6; Kol2:12,13; 1Kor2:12,13; Hand2:41; 8:36-38; Joh3:23; Matt28:18-20; Hand18:8; Matt3:7,8)

 

Het Avondmaal
De maaltijd des Heren is het deelnemen aan de tekenen van het lichaam en bloed van Jeshua als een uitdrukking van het geloof in Hem, onze Heer en Heiland. In deze ervaring van gemeenschap is onze Messias aanwezig om zijn volk te ontmoeten en kracht te geven. Wanneer wij eraan deelnemen, verkondigen wij, vol vreugde, de dood van de Heer tot Hij komt. Aan de maaltijd gaan vooraf: voorbereiding, berouw en belijdenis. De maaltijd des Heren is toegankelijk voor allen die geloven dat Jeshua de Messias is.
(Matt26:17-30; 1Kor10:16,17; Joh6:48-63; 1Kor11:23-26)

 

Gaven van de Geest
God schenkt aan alle leden van zijn Gemeente geestelijke gaven die elk lid dient te gebruiken in een liefdevolle dienst voor het algemene welzijn van de Gemeente en de mensheid. De gaven worden gegeven door middel van de Heilige Geest, welke een ieder in het bijzonder toedeelt gelijk Hij wil. De gaven verschaffen alle bekwaamheden en ambten die de gemeente nodig heeft om haar van God gegeven taak te vervullen. Volgens de Heilige Schrift omvatten deze gaven o.a. bedieningen van geloof, genezingen, krachten, onderscheiding van geesten, allerlei talen, vertolking van talen, verkondiging, onderwijs, bestuur, verzoening, medegevoel en zelfopofferend dienstbetoon en liefde om de mensen te helpen en te bemoedigen. Sommige leden worden door God geroepen en door de Geest begiftigd voor ambten zoals apostel, profeet, evangelist, herder of leraar en worden als zodanig door de Gemeente erkend. Zij zijn nodig om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van de kerk tot geestelijke rijpheid en om de eenheid van het geloof en de kennis van God te bevorderen. Wanneer leden als trouwe rentmeesters deze geestelijke gaven van Gods veelkleurige genade gebruiken, wordt de gemeente beschermd tegen de vernietigende invloed van valse leer. Zij groeit dan met een groei die van God is en wordt opgebouwd in geloof en liefde.
(1Kor12:9-11; 1Kor:13; Rom12:4-8; 1Petr4:11; 1Kor12:20-25; Hand6:1-7; 1Kor12:27-31; 1Tim2:1-3; Ef4:8,11-16; Matt25:14-30; Joh16:13; Hand2:4; Hand1:4,8; Hand8:12-17; 10:44-48; 19:1-6)

 

Goddelijke genezing
In het Oude Testament wordt in Goddelijke genezing voorzien, en is onlosmakelijk verbonden aan het volbrachte offer van Jeshua de Messias aan het kruis. Daar heeft Jeshua onze zonden, ziekten en smarten gedragen opdat wij die niet meer hoeven te dragen in dit leven. Dit vormt een wezenlijk deel van het Evangelie. Door het aanvaarden van Jeshua’s offer krijgt de gelovige deel aan de verbonden welke God gesloten heeft met Abraham, Izaäk en Israël. Op Golgotha’s kruis vond een volkomen omwisseling plaats doordat onze zonden, ziekten en smarten werden omgewisseld voor Jeshua’s gerechtigheid. Het handelen van Jeshua en zijn discipelen wordt voortgezet door de discipelen van vandaag.
(Deut6:4-7,24; Ex15:26; 23:20,22,25-26; Deut7:12-15; 8:3; 10:12-13; Ps103:1-3; Ps107:20; Spr4:20,22; Jes53:4,5; Matt8:16,17; 2Kor8:9; Jes61:1-2; Matt11:3-5; Luc4:18-21; Hand5:16; 2Kor8:9; Matt28:18-19; Marc16:15)

 

De Geboden
De belangrijkste grondbeginselen van Gods wet (Torah) zijn vervat in de Tien Woorden welke onlosmakelijk verbonden zijn met de gehele Torah en werden nageleefd in het leven van Jeshua de Messias. Zij zijn een uitdrukking van Gods liefde, zijn wil en zijn bedoelingen t.a.v. het gedrag en de onderlinge verhoudingen van de mens en zijn bindend voor alle mensen in alle tijden. Deze voorschriften zijn de grondslag van Gods verbond met zijn volk en vormen de maatstaf in Gods oordeel. Door de werkzaamheid van de Heilige Geest wijzen zij zonde aan en wekken het besef dat we een Redder nodig hebben. De verlossing is geheel uit genade en niet uit (de) werken, maar de vrucht ervan is gehoorzaamheid aan Gods geboden. Deze gehoorzaamheid draagt bij tot de ontwikkeling van een heilig karakter en loopt uit op een besef van vrede en is een blijk van onze liefde voor de Heer en onze zorg voor onze medemens. De geloofsgehoorzaamheid toont de macht van Jeshua de Messias om mensen te veranderen en ondersteunt daarom het Bijbels getuigenis.
(Ex20:1-17; Joh15:12; Rom13:8-10; Matt5:17-20; Deut28:1-14; Hebr8:8-10; Pred12:13,14; Jac2:8-12; Joh15 :10 ; Matt22 :36-40 ; Ps40:7,8; Rom3:20; 7:7; 7:24,25; Ef2:8-10; Hebr8:10; Ps19:7-14; Rom8:3,4; 1Joh5:3; 1Joh5:3; 2Kor3:2,3; Joh16:7-10; Opb14:12)

 

De Sabbat
De Schepper rustte, na zes scheppingsdagen, op de zevende dag en stelde de sabbat in voor alle mensen als een gedenkteken van de schepping, en als teken van de verlossing. Het vierde gebod van Gods onveranderlijke wet houdt de viering van de sabbat (de zevende dag) voor als de dag van rust, aanbidding en bediening in overeenstemming met het onderwijs en de gewoonte van Jeshua, de Heer van de sabbat. De sabbat is een dag van vreugdevol omgaan met God en de naaste. Hij is een symbool van onze verlossing in de Messias, een teken van onze heiliging, een bewijs van onze trouw en een voorproef van onze eeuwige toekomst in Gods Koninkrijk. De sabbat is Gods altijddurende teken van het eeuwige verbond tussen Hem en zijn volk. Het vreugdevol waarnemen van deze heilige tijd, van avond tot avond, van zonsondergang tot zonsondergang, is een viering van Gods scheppend en verlossend handelen.
(Gen2:1-3; Ex20:8-11; Deut5:12-15; Jes56:6,7; Marc2:27; Luc4:16; 23:55,56; Lev23:32; Marc1:32; Neh13;15-19; Ex16:22-30; Jes58:13,14; Ex31:13-17; Ez20:12,20; Jes58:13,14; Matt12:1-12; Hebr4:1-11; Ex20:11; Opb14:7)

 

Zorg en Offervaardigheid
Wij zijn Gods rentmeesters. Van Hem ontvangen wij tijd en mogelijkheden, bekwaamheden en bezit, en de zegeningen van de aarde en haar rijkdommen. Wij zijn aan Hem verantwoording schuldig voor het juiste gebruik hiervan. Wij erkennen Gods eigendomsrecht door Hem en onze medemensen trouw te dienen en door onze tienden en gaven te brengen voor de verkondiging van zijn evangelie en voor het welzijn en de groei van zijn Gemeente. Rentmeesterschap is een voorrecht, ons door God gegeven om ons in liefde op te voeden en ons de overwinning te doen behalen over egoïsme en hebzucht. De rentmeester verheugt zich in de zegeningen die anderen ten deel vallen als gevolg van zijn getrouwheid.
(Gen1:26-28; 2:15; 1Kron29:14; 1Kor6:19,20; 1Petr1:18,19; Ef5:2; Rom12:2; Ps50:12-15; Matt24:45-51; Hag1:3-11; Mal3:8-12; 1Kor9:9-14; 2Kor8:1-15; Rom15:26,27; 2Kor9:6,7; Joh3:16)

 

Leven in overeenstemming met het Woord
Wij zijn geroepen om een godvruchtig volk te zijn, dat denkt, voelt en handelt in overeenstemming met de hemelse beginselen. Om de Heilige Geest de gelegenheid te geven in ons het karakter van de Heer te herscheppen, wensen wij alleen betrokken te zijn bij die dingen die een Bijbelse reinheid, gezondheid en vreugde in ons leven tot stand brengen. D.w.z. dat ontspanning en vrije tijdsbesteding moeten voldoen aan de hoogste normen van smaak en verfijning in overeenstemming met het Woord. Bij alle verschil in cultuur behoort onze kleding eenvoudig en netjes te zijn, zoals het hen betaamt wier schoonheid niet bestaat uit uitwendige versierselen, maar uit de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest. Omdat ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest, dienen wij er op een verstandige manier mee om te gaan. Naast voldoende lichaamsbeweging en rust, moeten wij ons zo gezond mogelijk voeden. Daar tabak en het onverantwoordelijke gebruik van medicijnen en verdovende middelen schadelijk zijn voor het lichaam, behoren wij ons daarvan te onthouden. In plaats daarvan dienen wij bezig zijn met al die dingen die onze gedachten en ons lichaam brengen onder het gezag van Jeshua de Messias, die het beste met ons voorheeft.
(Rom12:1,2; 2Kor7:1; 2Kor5:20; 1Joh2:6; Ef5:1-21; Fol4:8; 2Kor6:14-18; 10:5; Kol3:1,2; Matt6:31-33; 1Petr3:1-4; 1Tim2:9,10; 1Kor10:31; 1Kor6:19,20; 1Kor9:24-27; 3Joh2)

 

Huwelijk en Gezin
Het huwelijk werd in Eden door God ingesteld. Jeshua heeft onderstreept dat het huwelijk een levenslange verbintenis is tussen man en vrouw in liefdevolle kameraadschap. Voor de gelovige is het huwelijk bindend ten opzichte van zowel God als de partner en behoort alleen aangegaan te worden door mannen en vrouwen die hetzelfde geloof belijden. Wederzijdse liefde, eer, respect en verantwoordelijkheid zijn de bouwstenen van deze relatie die de liefde, heiligheid, hechtheid en het blijvende van de band tussen Jeshua en zijn Gemeente weerspiegelen. Met betrekking tot echtscheiding leerde Jeshua dat degene die van zijn partner scheidt, behalve in geval van overspel, en een ander trouwt, echtbreuk pleegt. Hoewel sommige gezinsrelaties verre van ideaal zijn, mogen huwelijkspartners die zich in Jeshua geheel op elkaar richten, door de leiding van de Heilige Geest en de zorg van de Gemeente, hopen een eenheid in liefde te bereiken. God zegent het gezin en wenst dat gezinsleden elkaar bijstaan op de weg naar volwassenheid. Ouders dienen hun kinderen op te voeden om de Heer lief te hebben en te gehoorzamen. Door hun voorbeeld en woorden moeten zij hen leren dat Jeshua een liefhebbende, altijd tedere en zorgzame tuchtmeester is, die wil dat de leden van zijn lichaam, het gezin van God, worden. Toenemende gezinshechtheid is één van de kenmerken van de evangelieboodschap.
(Gen2:18-25; Joh2:1-11; Matt19:3-9; Matt5:31,32; 2Kor6:14; Marc10:11,12; Luc16:18; 1Kor1:10,11,39; Mal4:5,6; Ef5:21-33; Kol3:18-21; Spr22:6,15; Ef6:1-4; Ex20:12; Deut6:5-9; Hebr12:7-9)

 

Jeshua de Messias als Hogepriester
Er is een heiligdom in de hemel, de echte tabernakel, die de Heer heeft opgericht en niet een mens. Daarin is onze Messias ingegaan, ons ten goede, en maakt Hij de resultaten van zijn zoenoffer, dat eens en voor altijd aan het kruis is gebracht, beschikbaar voor alle gelovigen. Hij werd als onze grote Hogepriester ingewijd en begon zijn bemiddelende dienst bij zijn Hemelvaart. Dit is een werk dat is uitgebeeld in de reiniging van het Hebreeuwse heiligdom, uit de oudheid, op de Grote Verzoendag. In deze zinnebeeldige dienst werd het heiligdom gereinigd met bloed van dierenoffers, maar de hemelse dingen worden gereinigd door het volmaakte offer van het bloed van Jeshua de Messias. Door het bloed van Jeshua worden de zonden weggedaan en deelt God de gerechtigheid van Jeshua mede aan hen die in Hem geloven. Het verklaart dat zij, die God trouw blijven, het koninkrijk zullen ontvangen.
(Hebr8:1-5; 1:3; 9:23-28; 1Tim2:5; Hebr2:16,17; 4:14-16; 9:15-22; 10:19-22; Hebr9:11-14; Lev16)

 

Wederkomst van Jeshua de Messias
De wederkomst van Jeshua de Messias is de gezegende hoop van de Gemeente, de grootste climax van het evangelie. De komst van de Verlosser zal werkelijk, persoonlijk, zichtbaar en wereldomvattend zijn. Bij zijn komst zullen de rechtvaardige doden worden opgewekt en samen met de levende rechtvaardigen worden verheerlijkt en Jeshua de Messias tegemoet gaan in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen. Maar elke onrechtvaardige zal sterven. De huidige toestand in de wereld, toont aan dat Jeshua’s komst op handen is. Het moment van die gebeurtenis is niet geopenbaard en daarom worden wij gemaand te allen tijde bereid te zijn.
(Joh14:1-3; Tit2:13; Hand1:9-11; Opb1:7; Matt26:63,64; Matt24:27; 1Tess4:13-18; Hebr9:28; 1Kor15:51-54; 2Tim4:8;2Tess1:7-10; Opb14:14-20; 19:11-21; Matt24; Marc13; Luc21; 2Tim3:1-5; Matt24:36; 1Tess5:1-6; 2Petr3:11-14; Matt24:44)

 

Dood en Opstanding
Het loon van de zonde is de dood. Maar God, die alleen onsterfelijk is, zal aan allen die verlost zijn eeuwig leven verlenen. Wanneer Christus, die ons leven is, verschijnt, zullen de opgestane en de dan nog levende rechtvaardigen verheerlijkt worden om hun Heer te ontmoeten. De tweede opstanding, die van de onrechtvaardige, zal duizend jaar later plaatsvinden.
(1Tim6:15,16; Rom6:23; Joh15:6; Pred9:5,6; Ps146:3,4; Joh11:11-14; Opb14:13; Lev20:6,27; Deut18:9-12; Ef6:12; Opb16:14; 1Kor15:51-54; Kol3:4; 1Tess4:13-17; Joh5:28,29; Opb20:1-10)

 

De nieuwe aarde
Op de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, zal God een eeuwig tehuis voor hen die verlost zijn bieden en een volmaakt milieu voor eeuwig leven, liefde, vreugde en ontwikkeling in Zijn aanwezigheid. Want hier zal God zelf bij zijn volk wonen en leed en dood zullen voorbij zijn. De grote strijd zal ten einde zijn en er zal geen zonde meer zijn. Alles, bezield of onbezield, zal verklaren dat God liefde is; Hij zal voor eeuwig heersen.
(Joh14:3; 1Kor2:9; Opb21:2-3; 10:27; 2Petr3:13; Jes35; 65:17-25; Opb21:4-7; Opb21:1-3; Opb22:1-5; Jes65:21,22; Opb11:15; Matt5:5; 25:34; Opeb3:21; Dan22:1-4; Opb19:6,7)

 

Terug naar boven